|
1 Inleiding drs. G. Delen
Dit boek is geschreven voor organisaties die optimaal (dat is wat anders
dan maximaal) gebruik moeten maken van de schijnbaar onbegrensde mogelijkheden
van ICT. Hier staat bewust moeten want een organisatie die als eerste
met succes een nieuwe technologie uitbuit kan daarmee een beslissend concurrentievoordeel
behalen op andere organisaties die daar dan te laat mee zijn. De primaire
doelgroep van dit boek is het management van organisaties dat investeringsbeslissingen
neemt op ICT-gebied. Dit neemt niet weg dat het ook interessant is voor
de ICT-managers zelf, voor wie vorig jaar al een apart boek is verschenen
in deze reeks. Dat was het boek World Class IT, van service- naar business-gericht
met uw ICT-organisatie. In dat boek werd de ontwikkeling van de ICT-functie
binnen een organisatie geschetst aan de hand van het WCIT groeifasenmodel
(zie figuur 1.2 of 6.3). Om hier een verklaring voor te vinden moet men eerst teruggaan naar het verleden.
Figuur 1.1: De groeiende kloof tussen de behoeften van organisaties en het aanbod van ICT.
Toen ik voor het eerst met ICT in aanraking kwam, zo in de jaren 70 was er het mainframe. Dit stond aanvankelijk geïsoleerd in een beveiligde ruimte, werd gevoed met papieren ponsbanden en -kaarten, spuwde op zijn beurt weer banden, kaarten of geprint papier uit. Hoewel de ICT-managers van tegenwoordig dit als het summum van eenvoud zien, werd dat destijds ervaren als een technologisch hoogstandje dat zo complex was dat het alleen door zeer begaafde en geleerde heren beheerd kon worden. De situatie werd complexer toen er terminals aan het mainframe werden gehangen. Dat was een hele revolutie want toen kwam de computer naar de gebruikers toe in plaats van andersom. Wat een denigrerend woord trouwens, want hebt u al eens iemand ontmoet die zich als gebruiker voorstelde? En zo kwam men eind jaren 80 in de netwerken terecht, doordat de terminals werden verrijkt met lokale intelligentie. Tegelijkertijd kregen andere afdelingen zelf de beschikking over kleinere mainframes, de zogenaamde afdelingscomputers. Deze afdelingscomputers werden steeds kleiner en goedkoper, geheel volgens de wet van Moore, die al in 1965 vaststelde dat de capaciteit van ICT-apparatuur elke anderhalf jaar verdubbelt, terwijl de omvang en de prijs halveren, en dat al sinds 1940 en zonder dat het eind nu in zicht is gekomen! Uiteindelijk werden die apparaten zo klein en goedkoop dat individuele medewerkers er ook een voor zich zelf konden krijgen, de zogenaamde Personal Computer. Zon PC kon je aan het netwerk hangen, zodat je hem ook als terminal kon gebruiken. Hiermee werd het netwerktijdperk bereikt waarin het mainframe, de afdelingscomputers, nu mid range computers geheten en PCs via netwerken met elkaar verbonden waren. Aanvankelijk waren de netwerken stervormig met het mainframe als middelpunt, maar door een nadere taakverdeling tussen de verschillende computers aan het netwerk ontstonden de Client/Server architecturen waarbij de hiërarchische structuur binnen het netwerk verloren ging. Eind jaren 90 ontstond een nieuwe doorbraak door de opkomst van publieke netwerken (internet). Hierdoor werd het mogelijk om met onbekende organisaties en personen te communiceren, maar daardoor kon in principe ook iedere buitenstaander het eigen netwerk bezoeken. Samenvattend kan men stellen dat als gevolg van de kwantitatieve groei (elke 10 jaar 100 x zoveel voor dezelfde prijs) elk decennium wezenlijk andere mogelijkheden en manieren ontstonden om ICT in te zetten voor bedrijfsprocessen. Zo kan men het bovenstaande groeiproces indelen in 3 tijdperken met de volgende karakteristieken van de ICT-infrastructuur:
Waarom ICTers nog niet leveren wat technologisch mogelijk is Nu we aangekomen zijn in onze tijd, wekt het verbazing dat de ICTers ondanks 30 jaar onafgebroken groei in volwassenheid, nog steeds zon onmisbare personen zijn voor de meeste organisaties, en dat er nog nauwelijks ICT-organisaties zijn die naar tevredenheid functioneren. De verklaring hiervoor is dat de ICT-branche niet 30 jaar lang langs dezelfde maturity-curve is gegroeid.
Figuur 1.2: Maturiy-curve (het WCIT-groeifasenmodel). Toen in de jaren 80 een zekere volwassenheid voor het mainframebeheer in zicht kwam, bleek dat voor een netwerk-infrastructuur hele andere kennis en attitudes nodig waren, en moesten de ICTers aan een nieuw groeiproces beginnen: de maturitycurve voor netwerkbeheer. Ook in onze tijd, net nu Nederland een gidsland is geworden voor ICT-management volgens de ITIL methode, staan de ICTers weer voor zon revolutionaire verandering in hun markt. De vaardigheid en volwassenheid die is opgedaan in het beheren van netwerkomgevingen, blijken niet meer van toepassing in het internet-tijdperk. Figuur 1.3: Drie conjunctuurcycli. In het netwerktijdperk konden de ICTers de veelheid aan objecten nog de baas door ze allemaal een nummer te geven en in een Configuratie Database te zetten. In de open wereld krijgen ze echter te maken met nog veel meer objecten en informatie uit de buitenwereld, waarover niets te voorspellen valt. Was de uitdaging in het netwerkbeheer nog om een grote, maar eindige complexiteit te beheren, in de open wereld van het internet moeten ze een principieel oneindige complexiteit managen. Zo ziet men dat het groeiproces van de ICT-branche schoksgewijs verloopt waarbij men drie conjunctuurcycli kan onderscheiden, die corresponderen met de drie genoemde tijdperken. Telkens als de ICTers hun vak onder de knie dreigen te krijgen, willen organisaties weer zoveel meer en anders van technologische ontwikkelingen profiteren dat de ICT-managers een heel ander spel moeten leren. Internet-tijdperk of e-hype? De crisis bij de overgang van het netwerk- naar het internet-tijdperk die in 2000 uitbrak was bijzonder heftig. Even dacht men dat de oude economie en daarmee de oude manier van ICT-beheer was afgedaan, en dat de nieuwe internet-economie de oude economie zou overnemen. Internet-bedrijven en -toepassingen schoten als paddestoelen uit de grond. Omdat de bestaande ICT-afdelingen niet in staat waren om in het gewenste tempo internet sites te ontwikkelen werden hier nieuwe clubs voor opgericht, die geheel vanuit de technologie (volwassenheidsniveau 1 dus) de gewenste ICT leverden.
Figuur 1.4: De maturity curve van het internet-tijdperk. Toen men de 2e fase van deze curve had bereikt, bleek dat het geen probleem was om flitsende interactieve websites te bouwen, maar wel om die sites aan te sluiten op de bestaande ICT-architectuur en bedrijfsprocessen. Gevolg was dat organisaties via hun internet-etalages grote verwachtingen wekten, die vervolgens tot diepe teleurstellingen leidden, toen bleek dat het back office niet kon waarmaken wat het front office had beloofd. Dit is samen met het financieringsprobleem en de beveiligingsproblematiek de hoofdoorzaak van de crisis geweest. De zeepbel is inmiddels geklapt en nu wij weer met beide voeten op de grond staan, is het duidelijk dat de invoering van e-business is overgenomen door de oude economie en zal plaatsvinden in het tempo dat de huidige organisaties aan kunnen. De revolutie is dus mislukt, maar het internet tijdperk zal wel degelijk aanbreken via een normale evolutie. Figuur 1.5: Overgang naar het internet tijdperk (Gartner conference Cannes 2000). Opbouw van dit boek Dit boek begint met een schets van de maatschappelijke ontwikkelingen die mogelijk worden met de nieuwste ICT-technologieën. Daarna volgen drie hoofdstukken waarin de belangrijkste obstakels op weg naar het geschetste toekomstbeeld worden behandeld. Hoofdstuk 3 behandelt de beveiligings-problematiek. Aanvankelijk probeerden ICTers hun wereld nog zoveel mogelijk afgesloten te houden met firewalls, virusvangers en andere vormen van grensbewaking. Ook de trend om de PCs in het netwerk, die in de voorgaande fase zoveel lokale intelligentie hadden verworven, weer leeg te halen of dom te maken volgens het thin-client concept, kan men interpreteren als een reactie van ICT-managers op het onbeheersbaar worden van hun omgeving. In ieder geval moet de beveiligingsproblematiek opgelost worden voordat men de mogelijkheden van een open infrastructuur verder kan uitbuiten. Hoofdstuk 4 laat zien hoe men kritisch met nieuwe trends om kan gaan. Wat we van de mislukte revolutie kunnen leren is dat men ook te snel op een trend kan inspelen, zelfs al is dit een trend die de wereld zeker zal veranderen. In dit geval is de maatschappij wereldwijd en collectief gestruikeld over zijn ongefundeerde optimisme, maar hoe vaak zet een enkele organisatie niet al zijn kaarten op een trend die niet of te laat doorbreekt? Kennelijk is het van levensbelang om steeds alerter de ontwikkelingen te volgen en tijdig onderscheid te maken tussen hypes, bloopers en echte trends. Alleen de organisaties die op tijd, d.w.z. niet te vroeg en ook niet te laat, hun bakens verzetten zullen in het internet tijdperk kunnen overleven. Hoofdstuk 5 maakt duidelijk dat investeringsbeslissingen ook in het internet-tijdperk moeten worden onderbouwd met een solide baten- en kostenprognose in de vorm van een Benefits Case. Tegen de traditie in schrijf ik de baten hier vóór de kosten, omdat investeringen toch in de eerste plaats dienen om baten te realiseren en men alleen in die context kan beoordelen of de kosten te rechtvaardigen zijn. Zon Benefits Case is niet alleen nodig als eenmalig beslissings-document, maar vooral om de ontwikkeling van baten en kosten daarna te blijven monitoren en zonodig bij te sturen.
Vervolgens wordt in hoofdstuk 6 een manier uitgewerkt om voor iedere organisatie een ICT-strategie op maat uit te werken tegen de achtergrond van de eerder behandelde mogelijkheden en knelpunten. Tot slot volgt in Hoofdstuk 7 een voorbeeld uit de praktijk waarin een ICT-strategie is uitgewerkt die past bij de specifieke mogelijkheden en beperkingen van een bedrijf uit de consumer goods branche. Ik wens u allen veel leesplezier toe ! Guus Delen, redacteur De Meern, december 2001 |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||