Management Accounting

methoden van opbrengsten- en kostencalculatie


Begrippenlijst

De nummers tussen haakjes verwijzen naar het desbetreffende hoofdstuk.

* Aanpasbare kosten
Kosten die niet variabel zijn maar ook niet vast, omdat ze met tijdsverloop kunnen worden afgebouwd (6).

ABC
Afkorting van Activity Based Costing. Methode van kostprijscalculatie, waarbij de kosten van activiteiten worden verzameld per cost driver (= kostenveroorzaker) en vervolgens worden doorberekend (5).

Absorption costing
Gereed product en onderhanden werk wordt gewaardeerd tegen variabele en vaste fabricagekosten (15).

Actuele prijs
De prijs die betaald moet worden indien thans moet worden ingekocht (2).

Afdelingsnacalculatie
De periodieke berekening van het verschil tussen de voorgecalculeerde en de werkelijke kosten van de productie van een afdeling (14).

Afdelingsresultaat
Voorgecalculeerde waarde van de productie of van de activiteiten van een afdeling minus werkelijke kosten (14).

Afval
Niet bruikbare grondstoffen, omdat de materiaalmaten van het product afwijken van de materiaalmaten van grondstoffen (7).

Afzetverschil
Verschil in bijdrage of brutowinst door verschil tussen werkelijke en begrote afzet (17).

Afzet-volumeverschil
Het gedeelte van het afzetverschil dat verklaarbaar is doordat de totale werkelijke afzet van een aantal producten verschilt van de totale begrote afzet. Zie ook assortimentsverschil (17).

Agency-theorie
Theorie die een bedrijf ziet als een netwerk van agentschapsrelaties tussen principalen en 'agents' (16).

Algemene kosten
Vage term; soms gebruikt in de betekenis van: niet naar product verbijzonderbare kosten; soms ook in de betekenis van niet naar afdeling verbijzonderbare kosten (2).

* Algemene kosten break even punt
Afzet of omzet, waarbij niet alleen de specifieke vaste kosten van een product of ander calculatie-object worden gedekt maar ook het gewenste aandeel in de algemene kosten (6).

Algemene kostenplaatsen
Kostenplaatsen waarvan het moeilijk is de prestatie vast te stellen. De kosten worden min of meer arbitrair aan andere kostenplaatsen doorberekend (4).

Alternatieve kosten
De variabele kosten van een product of activiteit plus de gemiste bijdrage van een ander product of activiteit die door het huidige plan wordt verdrongen (13).

Arbeidsflexibiliteit
De mate waarin men de beschikbare hoeveelheid arbeid kan aanpassen aan de hoeveelheid die voor het bedrijf op een bepaald moment nodig is (7).

Assortimentsverschil
Het gedeelte van het afzetverschil dat verklaarbaar is doordat de werkelijke gemiddelde bijdrage van een aantal producten verschilt van de begrote gemiddelde bijdrage. Zie ook markt-volumeverschil (17).

At arm's length price
Prijsvaststelling voor concernbedrijven alsof aan derden wordt geleverd (19).

Backward pricing
Zie target costing (11).

Balanced Score Card methode
Methode van informatieverstrekking aan topmanagement, waarbij over een aantal doeleinden per elk van vier gezichtspunten wordt gerapporteerd (18).

Batch costs
Bij de ABC-calculatie gebruikte term voor de kosten die veroorzaakt worden door orders (5).

Bedrijfsresultaat
Het resultaat voor aftrek van rente vreemd vermogen en voor aftrek van winstbelasting (9).

Benchmarking
Vergelijking van de werkwijze van een bedrijf met de werkwijze van een of meer andere bedrijven, die voor een bepaald onderwerp een goede naam hebben (12).

Bestedingsverschil variabele kosten
Het verschil tussen de bij het werkelijke aantal uren te verwachten variabele kosten en de werkelijke variabele kosten (14).

Bestedingsverschil vaste kosten
Het verschil tussen de bij het normaal aantal uren te verwachten vaste kosten en de werkelijke vaste kosten (14).

Bezettingsverschil
Het verschil dat ontstaat doordat het aantal uren dat nodig is voor het uitgevoerde werk afwijkt van het normaal aantal uren. Het verschil wordt omgerekend tegen het vaste kostengedeelte van het uurtarief (14).

Bijdrage
Het verschil tussen omzet en variabele kosten (2 en 6).

Bijdragequotiënt
De bijdrage per f 1 omzet (6).

Boekwaarde
Het bedrag waarvoor een bezitting of schuld in de boekhouding is opgenomen (7).

Boekwaardemethode
Methode van afschrijving op duurzame productiemiddelen; de jaarafschrijving is een vast percentage van de boekwaarde (7).

Bottleneck
Zie knelpuntfactor (13).

Break even punt
De afzet waarbij het resultaat nul is (omzet = kosten) (6).

BRTV
Bruto Rentabiliteit Totale Vermogen, zie ROI (18)

Bruto-rentabiliteit totale vermogen
Bedrijfsresultaat in % van het totale vermogen (18)

Bruto-winst
De omzet verminderd met de fabricagekostprijs van de omzet (17).

Bruto-winstmargemethode
Methode van voorraadwaardering voor gemeenschappelijke producten (15).

Budget
Een in geld uitgedrukt actieplan. Meestal: actieplan voor een bedrijf voor een periode van een jaar resulterend in een begrote winst- en verliesrekening (16).

Budgetresultaat
Zie bestedingsverschil (14).

Business proces reengineering
Het nastreven van kostenbesparing door een geheel nieuwe methode te ontwerpen los van de bestaande situatie (12).

Camp, formule van
Zie EOQ-formule (7).

Capaciteitsuitbesteding
Uitbesteding van een gedeelte van de productie wegens onvoldoende productiecapaciteit (13).

Categorische kostenindeling
Indeling van de kosten naar soort productiefactor (2).

Client Based Costing (CBC)
Kostprijsberekening specifiek per klant (8).

Committed costs
Kosten die alleen op langere termijn kunnen worden beëindigd (6).

Complementaire kosten
Alle andere kosten van een duurzaam productiemiddel dan afschrijving en rente (7).

Constraint
Zie knelpuntfactor (13).

Contingentie-theorie
Theorie die tracht aan te geven in welke context een bepaalde calculatiemethode goed kan worden gebruikt (1).

Continue budgettering
De methode waarbij na afloop van een periode het budget voor dezelfde periode een jaar later wordt opgesteld (16).

Contributie
Zie bijdrage (6).

Cost driver
De oorzaak van activiteiten en daarmee van kosten (2 en 5).

Cost-plus pricing
Vaststellen van verkoopprijzen op basis van alle kosten inclusief het gewenste rendement op eigen vermogen (11).

Cost pool
De verzameling van kosten die in het kader van de kostenplaatsenmethode op de zelfde manier wordt doorberekend (4). Ook: de verzameling van kosten per cost driver bij de ABC-calculatie (5).

Deelcalculatie
Calculatiemethode waarbij de begrote of werkelijke kosten gedeeld worden door het begrote respectievelijk werkelijke aantal prestaties (3).

Degressief variabele kosten
Variabele kosten die minder dan evenredig met de afzet, met de productie of met een andere cost driver stijgen (3 en 6).

Degressieve afschrijvingsmethode
Afschrijvingsmethode waarbij het af te schrijven bedrag per jaar kleiner wordt (7).

Dekkingsbijdrage
Zie bijdrage (6).

Differentiële kosten
De toename van de kosten bij de toename van het aantal prestaties met een aantal groter dan één. Zie ook: marginale kosten (2).

Direct costing
Calculatiemethode waarbij uitsluitend met omzet en variabele kosten wordt gecalculeerd en de vaste kosten buiten beschouwing blijven (6).

Directe kosten
Kosten waarvan zonder meer duidelijk is dat ze voor het calculatie-object zijn gemaakt (2).

Directe methode van doorberekening
Doorberekening bij de kostenplaatsenmethode waarbij direct wordt doorberekend aan de hoofdkostenplaatsen (4).

* Directe urenperunage
Het perunage dat aangeeft welk gedeelte van de verloonde uren beschikbaar is voor directe arbeid (14).

Discretionary costs
Vrij bepaalbare kosten met kenmerken: Variëren niet met de omvang van de productie; besteding kan op korte termijn worden gestopt; nut is moeilijk kwantificeerbaar (6).

Distributiekosten
De kosten voor de uitvoering van de verkooporders nadat het verkochte product is ingekocht of geproduceerd (8).

Doelkosten
Zie target costing (12).

Double declining balance methode
Afschrijven met een vast percentage van de boekwaarde waarbij het afschrijvingspercentage gelijk is aan 2 x het afschrijvingspercentage bij de lineaire methode (7).

Economische bestelserie
Bestelhoeveelheid waarbij de som van bestelkosten en voorraadkosten minimaal is (7).

Economisch resultaat
Het resultaat na aftrek van een als redelijk beschouwde vergoeding voor het eigen vermogen (4 en 9).

Economische voorraad
De voorraad waarover prijsrisico wordt gelopen (7).

Efficiencyverschil
Zie hoeveelheidsverschil (14).

* Eigen kosten break even punt
Afzet of omzet waarbij de specifieke variabele en vaste kosten van een product of ander calculatie-object worden gedekt (6).

Eindprijs-min
De verkoopprijs in de detailhandel minus BTW en detailhandelsmarge (11).

Enkelvoudige toeslagcalculatie
Toeslagcalculatie waarbij de toeslag voor indirecte kosten wordt gelegd op één soort directe kosten of op het totaalbedrag van de directe kosten (3).

EOQ-formule
Formule voor berekening van economische bestelseries (7).

Equivalente eenheden
De afgeleverde aantallen plus de tegen het voltooiingspercentage omgerekende aantallen van het onderhanden werk aan het einde van de periode verminderd met de tegen het voltooiingspercentage omgerekende aantallen van het onderhanden werk aan het begin van de periode (14).

Equivalentiegetallen, methode van
Methode waarbij de kosten van calculatie-objecten worden berekend door de kosten van een basis-object te vermenigvuldigen met verhoudingsgetallen (3).

Fabricagekostprijs
Het gedeelte van de kostprijs dat bestaat uit directe materiaal- en fabricagekosten en daaraan toegerekende indirecte kosten (15).

Flexibel budget
Methode waarbij de toegestane variabele kosten niet worden berekend op basis van de oorspronkelijk begrote afzet maar op basis van de werkelijke afzet (17).

Flexible cost-plus pricing
Cost-plus pricing waarbij zowel met de kostprijs als met de marktomstandigheden rekening wordt gehouden (11).

Foutkosten
Kosten die ontstaan omdat niet wordt voldaan aan de gestelde kwaliteitseisen (12).

Full costing
Zie integrale kosten (6).

Full cost pricing
Zie cost-plus pricing (11).

Functionele kostenindeling
Indeling van de kosten naar de functies in het bedrijf (2).

Gedifferentieerde toeslagcalculatie
Zie meervoudige toeslagcalculatie (3).

Gelijktijdige capaciteit
Productiemogelijkheid per tijdseenheid (7).

Gemeenschappelijke kosten
Kosten van een productieproces waaruit technisch omvermijdelijk meer dan één eindproduct ontstaat (3).

Gemengde budgettering
De kosten van een afdeling worden gedeeltelijk als variabele kosten (variërend met het aantal prestaties) en gedeeltelijk als vaste kosten gebudgetteeerd (16).

Gemengde kosten
Kosten die bestaan uit een vast bedrag en een met de prestatie variërend bedrag (2).

Gemiddelde rentabiliteit
De gemiddelde jaarwinst van een investeringsproject gedeeld door de gemiddelde investering in het project (9).

General overhead
In de ABC-literatuur gebruikte term voor indirecte kosten die niet verbijzonderbaar zijn of waarvan de verbijzondering achterwege is gebleven (5).

Gesplitste deelcalculatie
Deelcalculatie waarbij de kosten gesplitst worden in vast en variabel en de vaste kosten gedeeld worden door de normale productie (3).

Grootte-degressie
Is aanwezig wanneer de productiekosten per eenheid dalen bij een grotere capaciteit van een duurzaam productiemiddel (7).

Historische prijs
De prijs die betaald is voor een aanwezige vrije voorraad (2).

Hoeveelheidsverschil
Verschil tussen het voorgecalculeerde en werkelijke verbruik van een productiefactor omgerekend tegen de voorgecalculeerde prijs of het voorgecalculeerde tarief. In de literatuur meestal aangeduid als efficiencyverschil (14).

Hoofdbudget
De begrote winst- en verliesrekening die de samenvatting is van het budgetplan (16).

Hoofdkostenplaats
Kostenplaats waarvan in het kader van de kostenplaatsenmethode wordt doorberekend naar de producten (4).

Hulpkostenplaats
Kostenverzameling die niet specifiek tot een bepaalde afdeling behoort en bij toepassing van de kostenplaatsenmethode afzonderlijk wordt doorberekend (4).

Indifferentiepunt
De productie-omvang waarbij de kosten van twee alternatieve productiemogelijkheden gelijk zijn (7). Wordt ook wel aangeduid als het 'trade off' punt (8).

Indirecte kosten
Kosten waarvan in eerste instantie niet duidelijk is dat ze voor het calculatie-object zijn gemaakt (2).

Informatie-asymmetrie
De situatie waarin de informatieverstrekker meer weet dan de informatie-ontvanger (16).

Initiële kosten
Kosten gemaakt voor de ontwikkeling of vernieuwing van een product (5 en 10).

Integrale kostprijs
De som van variabele en vaste kosten van een product. Calculeren met integrale kosten is het tegengestelde van direct costing (6). Ook te definiëren als de kostprijs die alle kosten omvat (11).

Interne rentevoet
De berekende rentabiliteit van een investeringsproject (9).

Inverse calculatie
Zie target costing (11).

Interval-vaste kosten
Kosten die vast zijn tot het bereiken van de capaciteitsgrens en dan sprongsgewijs stijgen (6).

Investeringscentrum
Afdeling die verantwoordelijk is voor de in het budget vermelde omzetten, kosten en investeringen (16).

* Jaarproductkosten
In dit boek gebruikte term voor de jaarlijkse kosten die zijn verbonden aan het in het assortiment houden van een product of een materiaalsoort. In de ABC-calculatie worden de kosten voor het in het assortiment houden van een product dikwijls aangeduid als kosten op 'product level' (5).

Jaarwegingsmethode
Afschrijvingsmethode waarbij de jaarafschrijving daalt met een vast bedrag, dat berekend wordt door het in totaal over de jaren af te schrijven bedrag te delen door de som van de jaren van de levensduur (7).

JIT-systeem
Systeem waarbij de leverancier de grondstoffen aflevert wanneer ze in de productie nodig zijn (7).
Ruimer: Methoden gericht op het verkorten van de doorlooptijd van materialen tot en met eindproduct (12).

Job costing
Zie ordernacalculatie (14).

Kaasschaafmethode
Methode waarbij van alle afdelingen van een bedrijf een relatief even grote bijdrage aan kostenbesparing wordt verlangd (12).

Kaizen costing
Het voortdurend streven naar kostenverlaging bij de bestaande productiemethoden (12).

Knelpuntfactor
Productiefactor die in een knelpuntsituatie de productiemogelijkheden limiteert (13).

Knelpuntsituatie
De productiemogelijkheden worden beperkt door onvoldoende beschikbaarheid van een of meer productiefactoren (13).

Kosten
De geldwaarde van het gebruik of verbruik van productiefactoren (1).

Kosten op 'product level'
Zie jaarproductkosten (5).

Kostencentrum
Afdeling die er voor verantwoordelijk is dat de kosten het budget niet overschrijden (16).

Kostenplaatsenmethode
Methode voor doorberekening van de indirecte kosten waarbij de indirecte kosten per kostenplaats worden begroot en worden doorberekend aan andere kostenplaatsen en in laatste instantie naar eindproducten (4).

Kostenremanentie
Vertraagde aanpassing van kosten aan gedaalde afzet (6).

Kostensoorten
De kosten gespecificeerd naar soort productiefactor (2).

Kostenverbijzondering
Organisatorische maatregelen waardoor kan worden vastgesteld voor welke calculatie-objecten indirecte kosten zijn gemaakt (2).

Kostenverdeelstaat
De staat waarop de doorberekening wordt aangegeven van service-kostenplaatsen en algemene kostenplaatsen naar elkaar en naar de hoofdkostenplaatsen (4).

Kostenveroorzaker
Zie: cost driver (2).

* Kostenversleuteling
Het op min of meer arbitraire wijze toerekenen van indirecte kosten aan directe kosten (2).

Kostprijs
De kosten per stuk van een eindproduct (1).

Kostprijs-plus
Kostprijs waarbij de vermogenskosten over het eigen vermogen zijn berekend tegen de door het bedrijf gestelde rentabiliteitseis (9) en (11).

Kritische beladingsgraad
In de transportsector gebruikte term voor het break even punt (6).

Kritische omzet
Omzet waarbij geen winst wordt gemaakt (omzet = kosten) (6).

Kwaliteitskosten
Kosten voor het voldoen aan de gestelde kwaliteitseisen en kosten die ontstaan wanneer niet aan de kwaliteitseisen wordt voldaan (12).

Laatste kostenplaatsen
Zie hoofdkostenplaatsen (4).

Leereffect
Daling van de kosten per stuk bij voortgezette productie (10).

Life cycle costing
Een berekening van de opbrengsten en kosten over de verwachte volledige levensduur van een product (10).

Lineaire afschrijving
Afschrijvingsmethode waarbij het jaarbedrag van de afschrijving gedurende de begrote levensduur gelijk blijft (3 en 7).

Lineaire programmering
Rekentechniek voor maximalisatie van de uitkomst van een gegeven doelstelling bij beperkt aanwezige middelen en eventuele andere beperkingen (13).

Managed costs
Zie discretionary costs (6).

Management by exception
Bijsturen is alleen nodig wanneer de realisatie te sterk afwijkt van het budget (16).

Margeverschil
Het verschil in winst dat ontstaat doordat de werkelijke procentuele bruto-winstmarge verschilt van de begrote procentuele bruto-winstmarge (17).

Marginale kosten
De toename van de kosten bij één extra prestatie (2).

Marketing kosten
De kosten voor de verwerving van de verkooporders (8).

Marktaandeelverschil
Het gedeelte van het afzetverschil dat verklaarbaar is doordat het werkelijke marktaandeel verschilt van het begrote marktaandeel. Zie ook marktomvangverschil (17).

Marktomvangverschil
Het gedeelte van het afzetverschil dat verklaarbaar is doordat de werkelijke afzet voor de bedrijfstak afwijkt van de begrote afzet. Zie ook marktaandeelverschil (17).

Marktprijsmethode
Methode van voorraadwaardering voor gemeenschappelijke producten (15).

Master budget
Zie hoofdbudget (16).

Material pricing
Enkelvoudige toeslagcalculatie op basis van materialen (3).

Meervoudige toeslagcalculatie
Methode waarbij toeslagen voor indirecte kosten worden gelegd op meer dan één soort directe kosten (3).

Mengverschil
Verschil tussen voorgecalculeerde en werkelijke kosten van een mengsel wanneer de werkelijke samenstelling van het mengsel afwijkt van de voorgecalculeerde samenstelling (14).

Nacalculatie
De berekening van de werkelijke kosten nadat de goederen zijn geproduceerd of de diensten zijn verricht (14).

Netto contante waarde
Het verschil tussen het contante bedrag van de verwachte opbrengsten van een investeringsproject en het opgerente bedrag van de investeringen (9).

Non-value added activities
Activiteiten die voor de klanten geen waarde toevoegen en daarom dienen te worden geëlimineerd (2).

Normaal aantal uren
Zie normale productie (14).

Normale bezetting
Zie normale productie (3).

Normale productie
Het aantal prestaties dat wordt gebruikt als deler van de vaste kosten (3).

Omstelverschil
Zie orderverschil (14).

Omzetsnelheid vermogen
Kengetal dat wordt berekend door de omzet te delen door het totale vermogen van een bedrijf (9).

Omzetverschil
Het verschil in winst dat ontstaat door het verschil tussen de werkelijke en begrote omzet, indien niet op afzetbasis is begroot (17).

Opbrengstcentrum
Afdeling die er voor verantwoordelijk is dat de in het budget vermelde omzet wordt gehaald (16).

Opportunity costs
Zie alternatieve kosten (13).

Opslagcalculatie
Zie toeslagcalculatie (3).

Optimized Production Technology (OPT)
Maatregelen voor een optimale organisatie van de knelpuntfactor (13).

Ordernacalculatie
Vergelijking van voorgecalculeerde en werkelijke kosten per productie-order (14).

Orderverschil
Verschil in kosten per stuk dat ontstaat wanneer de werkelijke orderhoeveelheid afwijkt van de standaardhoeveelheid, waarvan is uitgegaan in de kostprijscalculatie (14).

Overhead
Vage term, meestal identiek met indirecte kosten. Zie ook 'general overhead' (2).

Overhead value analysis
Methode waarbij in het kader van een kostenbesparingsproject de waarde en de kosten van de diensten van afdelingen worden vastgesteld (12).

Overwinst
Term voor een positief economisch resultaat (4 en 9).

Payout
Het percentage van de winst dat wordt uitgekeerd (9).

Premieloon
Systeem van beloning waarbij boven een vast tijdloon een premie betaald wordt, wanneer de prestatie een overeengekomen minimumniveau overschrijdt (7).

Prestatiebeginsel
Kosten mogen alleen in de voorraadwaardering worden opgenomen wanneer en voor zover de prestatie is geleverd (15).

Pricing paradox
Zie vicieuze cirkelcalculatie (3).

Prijsbederf
Het aanbieden van een product of dienst beneden de kostprijs, indien dat tot gevolg heeft dat ook andere bedrijven beneden de kostprijs gaan verkopen (11).

Prijsverschil
Het verschil tussen de voorgecalculeerde en de werkelijke prijs van een materiaal vermenigvuldigd met het werkelijke verbruik (14).

Primaire kosten
De eigen kosten van een kostenplaats (4).

Primitieve toeslagcalculatie
Zie enkelvoudige toeslagcalculatie (3).

Process costing
Zie afdelingsnacalculatie (14).

Productdifferentiatie
Een marktsituatie waarin voor de klanten duidelijk onderscheid bestaat tussen de producten van de ondernemingen in een bedrijfstak (11).

Productiecentramethode
Zie kostenplaatsenmethode (4).

Programmed costs
Zie discretionary costs (6).

Progressief variabele kosten
Variabele kosten die meer dan evenredig stijgen met de afzet, met de productie of met een andere cost driver (6).

Proportioneel variabele kosten
Variabele kosten die recht evenredig stijgen met de afzet, met de productie of met een andere cost driver (6).

Rate of return pricing
Zie cost-plus pricing (11).

Realisatiebeginsel
Winst mag worden genomen wanneer de goederen zijn geleverd (15).

Reclame-multiplier
De verandering in de omzet in relatie tot de verandering in reclamekosten (8).

Regiewerk
Werkzaamheden die aan de klant in rekening worden gebracht op basis van de nacalculatie (11).

Relevante kosten
Kosten die als gevolg van een beslissing veranderen (2).

Residual income
Het bedrag dat overblijft nadat van het bedrijfsresultaat een vergoeding gelijk aan de als norm gestelde BRTV over het geïnvesteerde vermogen is afgetrokken (18).

Residuwaarde
Zie restwaarde (7).

Restwaarde
Geschatte verkoopwaarde van een duurzaam productiemiddel aan het einde van de levensduur (7).

Retrograde methode
Methode voor periodieke vaststelling van het materiaalverbruik door inventarisatie van de voorraad aan het einde van de periode (14).

ROI
Afkorting van 'Return On Investment'. Het is de bruto-rentabiliteit van het totale vermogen (= bedrijfsresultaat in procenten van totale vermogen) (18).

ROI-pricing
Zie cost-plus pricing (11).

RONA
Afkorting van 'Return On Net Assets'. Het is het bedrijfsresultaat in procenten van de som van eigen en rentedragend vermogen (18).

ROS
Afkorting van 'Return On Sales'. Het is het bedrijfsresultaat in procenten van de omzet. Zie ook de termen winstmarge (18).

Schaduwprijs
De alternatieve kosten van een productiefactor per tijdseenheid (13).

Secundaire kosten
De door andere kostenplaatsen aan een kostenplaats doorberekende kosten (4).

Service-kostenplaatsen
Kostenplaatsen die diensten verrichten voor andere kostenplaatsen (4).

Slack
Speelruimte door voorzichtige schattingen als gevolg waarvan het budget gemakkelijk kan worden gerealiseerd (16).

Solvabiliteit
Het eigen vermogen in procenten van het totale vermogen (9).

* Specifieke methode voor vermogenskosten
De vermogenskosten worden per product afzonderlijk berekend op basis van de voor het product noodzakelijke vermogensinvestering (9).

Standaardkosten
Normatieve voorgecalculeerde kosten (2).

Standaard-verrekenprijs
In de boekhouding gehanteerde prijs, waartegen inkopen worden geboekt teneinde prijsverschillen in de nacalculatie te vermijden (7).

Stapsgewijze methode van doorberekening
Doorberekening bij de kostenplaatsenmethode in één richting zonder terugberekening (4).

Stuklijst
Lijst waarop per eenheid of aantal eenheden eindproduct de te gebruiken soorten en hoeveelheden van de materialen zijn gespecificeerd (3 en 7).

Stukloon
Methode voor beloning van arbeid, waarbij de totale beloning gelijk is aan aantal prestaties x vergoeding per prestatie (7).

Stukproductie
Het fabriceren van producten die voldoen aan de specifieke wensen van een afzonderlijke klant (11).

Subkostenplaats
Term die gebruikt wordt wanneer er meer kostenverzamelingen zijn per afdeling (4).

Suboptimalisatie
Beslissingen die wel goed zijn voor een afdeling of voor een nagestreefd doel maar niet voor het bedrijf (16).

Sum of the years' digits methode
Zie jaarwegingsmethode (7).

Sunk costs
In het verleden gemaakte kosten waarin geen verandering meer komt door een thans te nemen beslissing (2).

Suppletiebon
Document waarmee een extra hoeveelheid materiaal aan de productie-afdeling wordt geleverd als de productie-afdeling aan de voorgecalculeerde hoeveelheid niet genoeg heeft (14).

Surrogaatactiviteit
In het kader van de ABC-calculatie gebruikte term om aan te geven dat diverse van elkaar verschillende activiteiten zijn samengevoegd teneinde de calculaties eenvoudig te houden (5).

Target costing
Methode waarbij uit de mogelijke verkoopprijs de te realiseren kostprijs (target costs of doelkosten) wordt afgeleid (11 en 12).

* Tariefsmethode voor vermogenskosten
De vermogenskosten worden opgenomen in de afdelingstarieven (9).

* Tempoverschil
Hoeveelheidsverschil tussen voorgecalculeerde en werkelijke machine-uren of arbeidsuren vermenigvuldigd met het voorgecalculeerde uurtarief. In de literatuur meestal aangeduid als efficiencyverschil (14).

Time pricing
Enkelvoudige toeslagcalculatie op basis van directe arbeids-of machine-uren (3).

Toeslagcalculatie
Methode waarbij de directe kosten worden verhoogd met een toeslag voor indirecte kosten (3).

* Toeslagmethode voor vermogenskosten
De vermogenskosten worden berekend door middel van een winstopslag (9).

Transfer pricing
Vaststelling van prijzen van levering van goederen en diensten binnen een groep van tot één concern behorende bedrijven (19).

Two step pricing
Methode van prijsberekening waarbij per transactie de variabele kosten worden berekend en periodiek een aandeel in de vaste kosten (19).

Uitval
Bij controle afgekeurde tussen- of eindproducten (3).

Unit costs
In de ABC-literatuur gebruikte term voor kosten die gecalculeerd worden per geproduceerd of verkocht exemplaar (5).

* Urenbenuttingsverschil
Verschil tussen voorgecalculeerde en werkelijke kosten, dat ontstaat doordat de werkelijke urenbenutting afwijkt van de voorgecalculeerde benutting (14).

Value engineering
Methode waarbij het productontwerp wordt onderzocht teneinde kostenbesparingen te realiseren (12).

Variabele budgettering
De toegestane kosten zijn uitsluitend afhankelijk van het aantal prestaties (16).

Variabele kosten
Kosten waarvan de totale omvang varieert met het aantal prestaties van het calculatie-object (2).

Vaste budgettering
Het begrote bedrag varieert niet met het aantal prestaties (16).

Vaste kosten
Kosten waarvan in het bedrijf wordt verwacht dat het totale bedrag ervan binnen bepaalde prestatiegrenzen in een gedefinieerde periode onafhankelijk is van het aantal prestaties van het calculatie-object (2).

Veiligheidsmarge
Percentage waarmee de afzet of omzet kan zakken zonder dat het bedrijf verliesgevend wordt (6).

Verfijnde toeslagcalculatie
Zie meervoudige toeslagcalculatie (3).

Verkoopprijsverschil
Verschil tussen werkelijke en begrote winst als gevolg van het feit dat de werkelijke verkoopprijs verschilt van de begrote verkoopprijs (17).

Vermogenskosten
De over het eigen en over het vreemde vermogen te calculeren rente (9).

Vermogensmarge
Zie winstmarge (9).

Vicieuze cirkelcalculatie
Calculatiemethode waarbij een bedrijf zich uit de markt prijst door bij dalende omzet de toeslagpercentages of andere calculatietarieven te verhogen (3).

Volgtijdige capaciteit
Het aantal tijdseenheden dat een duurzaam productiemiddel meegaat, voordat het verouderd en/of versleten is (7).

Waarde-analyse
Zie value engineering (12).

Wederzijdse methode van doorberekening
Doorberekening bij de kostenplaatsenmethode in beide richtingen (4).

Werktijdverschuiving
Het laten variëren van de arbeidstijd van het personeel met de bedrijfsdrukte (7).

Winstcentrum
Afdeling die verantwoordelijk is voor het behalen van de in het budgetplan vermelde opbrengsten en kosten (16).

* Winstdoel-punt
De afzet waarbij de als doel gestelde winst wordt behaald (6).

Winstmarge
Het bedrijfsresultaat in procenten van de omzet. Synoniemen zijn vermogensmarge en ROS (9).

Zelfstandige kostenplaats
Zie service-kostenplaats (4).

Zero base budgeting
Methode waarbij in het kader van een besparingsproject wordt geëvalueerd of en zo ja in welke mate een activiteit moet worden gecontinueerd (12).


drs M. van Wallenburg RA, Management Accounting, methoden van opbrengsten- en kostencalculatie, ISBN 9072194543, 480 pagina's, prijs f 49,90 (incl. btw), Uitgeverij Tutein Nolthenius, Den Bosch, tel. 073-6146400, fax 073-6138535.